Ik moet nog wennen aan Arnhem, na meer dan 13 jaar in Nijmegen te hebben gewoond. Het centrum bv. is heel anders, drukker, voller, zit meer op m'n huid. Het is hier stadser, zonder een echte
stad te worden (zo een die zich automatisch onderverdeelt in kleine dorpjes).
Nijmegen ademde meer vriendelijkheid uit, de straten zijn er breder, er is meer lucht, meer openheid. Alsof het
platteland daar naar binnen komt en langzaam terrein wint. In Arnhem is dat juist andersom; daar verliest het platteland steeds meer van de oprukkende huizen- en wegenbouw.
Best moeilijk om te wennen eigenlijk..
Vandaar dat ik vandaag naar buiten ben gegaan met m'n camera om de boel te verkennen.
Stond al een week op de planning, maar vandaag was het eindelijk droog. Direct zie ik een voordeel aan Arnhem: het is hier
een stuk kunstzinniger (of kunstiger) dan in Nijmegen en dát bevalt me ook wel!
Ik ben niet verder gekomen dan het Gele Rijders Plein, want ik moest boodschappen doen en konijnenvoer halen. Ook hier
gaat het leven gewoon door..
Verhuizen gaat me niet in de koude kleren zitten. Ook niet in de schone: de wasdroogcombi laat volgens de Wehkamp nog weer een week op zich wachten,
maar dan komt hij toch echt. Tegelijkertijd met de terugkomst van B., puur toeval.
Naar beide kijk ik reikhalzend uit, maar naar B. zo'n duizend maal meer dan naar de wasdroogcombi.
Weer een nieuw huis met mijn oude spullen en een paar nieuwe, maakt me moe en soms wat verloren.. alsof ik weer niet een dikke kast van een huis heb gewonnen. Dat verdient een gedicht.
Toegegeven, Joost Zwagerman valt als persoon in dezelfde categorie als Ronald Giphart en Arnon Grunberg (of is die een categorie op zichzelf): betweterige oude jonge schrijvers. Ik heb wel
eens wat van hem gelezen (lees: doorgeploeterd) en ik vind het niks net als ik Remco Campert (zelfde categorie, generatie eerder) nooit wat vond.
Maar potdomme die Joost heeft wel iets geschreven wat mij nu op het lijf geschreven lijkt te zijn.. Dus, vooruit, met frisse tegenzin: Joost Zwagerman for president!
Een Verhuizing
1.
Mijn spullen doet het pijn.
Ik, ook gepakt en tijdelijk rechthoekig,
bewandel regelziek mijn dozen doosjes overal.
Er is geweest zo veel beklemming om mij heen
als ruggen van boeken weerspannig omhoog
of al die vreemde, behulpzame handen
die zich scheren door het opgestapelde,
door mijn bezit, mijn geborgen volkomenheden.
De aanmatigende stilte van de rechthoek,
het huis. Dit keer geen termen gesneden of open:
zo leeg is het vertrek
3.
Van hier ga ik naar daar de neus:
zelfs is er vervoering van mijn kast, mijn kleding.
Zo benauwd is mijn bagage terwijl
ik weet er is volharding in mijn kop
die ik voorbijgaan noemen moet.
Mijn bezit ritualiseert zich. Ik ben wat ik bezit.
Hoe omvangrijk overdracht is.
Wat verplaatst wordt, wijnrek, lampekamp en
al mijn spulletjes mijn monologen, dat wil een
lichaam hebben. De reis is bijna binnendringen.
Kun je me zeggen bewoon ik?
4.
Met agressie. Daarmee vult mijn aangezicht,
verhuisbek deze onberekenbare onbekendheid.
De plompgevonden zonderling ben ik
en zij daar, die maatbekers van bewoonkonijnen,
zij kijken naar hoe bedekt ik ben met geworpen zijn.
Men smeert me aan de ogen te kort.
Wie roept mij dan? - De trap kraakt mij nader,
klaagt mij haast aan. Domeintje spelen moet ik dus:
als een kind zo broodnuchter stap ik
de nieuwte binnen - keurend, houd ik me voor.
De voldongen geur van voor mij onbekende
sigaretten en door mij onbeminde mensen
maakt weerloos. Ook hierom nu is wonen laakbaar.
5.
De sleutelbos mijn moeder - er wordt
voor me gezorgd. De nadrukkelijkheid waarmee
ik bewogen voorhoofdsholte pretendeer
is het bewijs van hoe ik waan mij loper.
Likeur is in mijn daden. Kom maar drinken,
kom maar. Ik kan vertellen het rangschikken,
van dozen en van boeken, van lege flessen desnoods.
Blijft over dat ik richt mij in.
Kom mij maar
inkeren.